Neemt onze overheid veiligheid nog wel serieus?

Wat doet deze titel met je? Is je antwoord meteen ‘echt niet!’. Of is deze vraag nog nooit bij je naar boven gekomen? Ben je het ermee eens? Of niet? Laat ik beginnen met te stellen dat ik geloof dat de overheid de beste bedoelingen heeft met allerlei nieuwe regelgeving rond veiligheid. Tegelijk bekruipt mij het gevoel dat dit niet mee zal gaan helpen aan de verbetering van de veiligheid. In de 30 jaar dat ik nu werkzaam ben binnen de veiligheid heb ik meer plannen en wetten gezien die de overheid in werking heeft gesteld. Waarvan men de verwachting had dat het mee zou werken aan een arbeidsveiliger Nederland. Jammer genoeg heeft de praktijk bewezen dat veel van deze goedbedoelde plannen slechts gestrand zijn. Zou dat bij de nieuwe plannen ook het geval zijn?

Ik wil eerst terugkijken in de tijd, om duidelijk te maken waarom ik sceptisch ben over de rol van de overheid. Eerst gaan we heel ver terug. Naar de jaren dat onze Arbeidsomstandighedenwetgeving gebaseerd werd op de Europese Kaderrichtlijn 89/391/EEG. Europees werd er in deze richtlijn (dus een verplichting) vastgelegd dat binnen een bedrijf de werkgever zich moest laten bijstaan door één of meer medewerkers bij de preventie t.a.v. arbeidsrisico’s of beroepsrisico’s (artikel 7 ld 1 tot 4).

In 1994 werd dit artikel in Nederland niet ingevuld met het verplicht hebben van een deskundige medewerker binnen de organisatie, maar in een verplichte aansluiting bij een Arbodienst. Dus deskundigheid buiten de organisatie. Hiermee weken wij dus af van de Europese richtlijn en de andere Europese landen. In 2003 floot het Europese hof onze overheid terug, nadat een aantal multinationals hiertegen in beroep gegaan waren. In 2005 werd de Arbeidsomstandighedenwet aangepast en werd het verplicht om een de deskundige medewerker[1] aan te stellen binnen de organisatie.

Workshops

Geschiedenis

Op grond van onze Arbeidsomstandighedenwetgeving moesten we ook veel documenten opstellen. Waaronder een Risico Inventarisatie & Evaluatie (RI&E) en een Plan van Aanpak (PvA). Was er, naast de reguliere arbeidsrisico’s sprake van risico’s door machines, gevaarlijke stoffen of explosieveiligheid dan moest er ook een aanvullende RI&E (ARIE) opgesteld worden. Al met al een hele papierwinkel.

Zelfs Mark Rutte, die toen staatssecretaris van het ministerie van Sociale Zaken was, deed toen al een uitspraak over de berg papier die door bedrijven geproduceerd moest worden. Dat moesten we gaan terugdringen. Dit zal ondertussen voor hem ook geen actieve herinnering meer zijn. Maar ja, 20 jaar later is de papierwinkel volgens mij er absoluut niet kleiner op geworden. De overheid verplicht ons nog steeds om onze papieren bergen op orde te hebben.

In 2017 stelde Marc Kuipers, toenmalig Inspecteur-generaal, bij de presentatie jaarcijfers van 2016 en jaarplan van 2017 dat hij zich zorgen maakte over de houding van de Nederlandse bedrijven. En de oorzaak en het gevolg van de stijging van het aantal arbeidsongevallen. Hij gaf toen aan dat van de bedrijven in Nederland 30-50 procent niet beschikte over de wettelijk verplichte RI&E.

Mr. Pieter van Vollenhoven, toen nog als voorzitter van de Onderzoeksraad voor de veiligheid, stelde in 2017 tijdens een TV interview al dat volgens hem de overheid teveel uithanden gaf. Teveel vertrouwen had in de branches. Hij deed toen zijn uitspraak naar aanleiding van de verschrikkelijke brand in een flatgebouw in Londen een paar dagen eerder.

Als hoofdoorzaken gaf hij aan dat er sprake is van een terugtredende overheid en een misplaatst vertrouwen in de branche. Hiermee bedoelde hij het vertrouwen, dat zij wel op een goede manier zouden instaan voor de veiligheid van een gebouw, c.q. de gebruikte materialen. Bij de brand bleek dat er gebruik gemaakt was van brandgevaarlijke materialen, waardoor de brand een grote omvang kon krijgen. Volgens hem was de hoofdoorzaak te veel zelfregulering van bedrijfsleven. Later heeft hij in vele lezingen dat steeds weer aangegeven, voor veel veiligheidsterreinen. Ik bevind me dus in goed gezelschap als ik mijn bedenkingen heb over de rol van de overheid.

In 2018 bleek uit een TNO onderzoek dat slechts 45% van de bedrijven beschikte over een RI&E. Toenmalig staatssecretaris Van Ark vond die 45% ook volstrekt onder de maat. Actie die daarop volgde was een aanpassing van het boetebeleid. Het niet hebben van een RI&E of een Plan van aanpak werd vanaf toen hoger beboet. Dit zou volgens haar een positief effect moeten hebben op de naleving door de bedrijven. Dit onder het motto als we de Nederlander in zijn portemonnee raken dan wil hij wel!

RI&E

In 2020 schrijft dezelfde staatsecretaris in een brief aan de Tweede Kamer dat er nog steeds sprake is van ca. 50% van de Nederlandse bedrijven die niet beschikken over een RI&E. (Opmerking schrijver: het boetebeleid van 2018 heeft schijnbaar weinig effect gehad). In deze brief gaf zij wel aan dat dit in hoofdzaak MKB bedrijven betreft. De grotere bedrijven hebben dit over het algemeen in orde. Dat 80% van de Nederlandse werknemers werkt bij een bedrijf dat de RI&E op orde heeft.

Maar tegelijkertijd stelt zij in de brief ook dat de kwaliteit van de RI&E verbeterd moet worden. En als geruststelling schrijft ze dan dat de situatie in Nederland niet uniek is. Deze is gelijk aan de andere Europese landen. Ook geeft ze aan dat er gestart gaat worden met het ‘Meerjarenplan verbetering naleving RI&E 2020 – 2023: Programma Impuls RI&E’. Dit plan heeft twee kerndoelen: enerzijds moet het aantal werkgevers dat een RI&E heeft omhoog, anderzijds moet de kwaliteit ervan verbeterd worden.

Weinig veranderd

We zitten nu in het laatste jaar van dit merenjarenplan. Bij de evaluatie van 2021 komen we nog steeds dezelfde cijfers qua naleving tegen. Met daarbij de kanttekening dat de bekendheid onder de werkgevers nog aanzienlijk verbeterd moet worden. Een evaluatie over 2022 is er nog niet.  

Wel kunnen we ondertussen meer zeggen hoe men denkt de kwaliteit van de RI&E te verbeteren (ook onderdeel van het meerjarenplan). Per 1 juli 2022 is de toetsing van een RI&E veranderd. Was de toetsing van een RI&E in het verleden door één kerndeskundige voldoende, nu moeten er meer kerndeskundigen betrokken worden bij de toetsing. De nieuwe toetsing moet namelijk bestaan uit een systeemtoetsing en een scopetoetsing.

Een systeemtoetsing mag door één kerndeskundige uitgevoerd worden. De scopetoetsing mag een kerndeskundige alleen doen als dit binnen zijn eigen scope valt. De scopetoetsing die daarbuiten valt, zal een andere ter zake zijnde kerndeskundige moeten uitvoeren. Is er sprake van nog een andere scope, zal er weer een andere kerndeskundige betrokken moeten zijn. Kerndeskundigen zijn bijvoorbeeld de Arbeidshygiënist (AH), de Hogere Veiligheidskundige (HVK) en de Arbeids- en Organisatiedeskundige (A&O). Anders gezegd: Wanneer er sprake is van meerdere scopes (aandachtsgebieden) binnen de RI&E, is het dus verplicht om meerdere kerndeskundigen te betrekken. De bedrijfsarts (mits geregistreerd) wordt gezien als een kerndeskundige die in principe een toetsing mag uitvoeren van de gehele RI&E.

Helpt dit wel?

De RI&E’s die onder de toetsing vallen, zullen daarmee zeker kwalitatief verbeteren. E.e.a. zal jammer genoeg wel kostenverhogend werken voor het bedrijfsleven. Maar er zijn ook nog diverse RI&E’s die niet onder de toetsingsverplichting vallen. Er is geen toetsing noodzakelijk wanneer: alle werknemers in het bedrijf samen 40 uur of minder werken; het bedrijf ten hoogste 25 werknemers heeft en gebruik maakt van een in de CAO opgenomen RI&E-instrument óf van een erkend branche RI&E-instrument (zoals opgenomen op rie.nl).

Veel bedrijven kunnen gebruik maken van zo’n RI&E instrument,  zeker in het MKB. En laten dat nu juist de bedrijven zijn die vaak nog geen RI&E hebben. Dus deze nieuwe wetgeving zal in die zin weinig uithalen. Wat er niet is, kan niet verbeterd worden. En motiveren om een RI& op te stellen zal deze wetgeving dan ook niet doen. Ben ik een zwartkijker? Ben ik pessimistisch? Of ben ik realistisch als ik zeg dat ik verwacht dat men juist minder RI&E’s gaat opstellen. Als de toetsing ervan zoveel meer rompslomp en kosten met zich mee zal gaan brengen…?

Weer iets nieuws

2023 is nog maar net begonnen, op moment van schrijven. En nu al worden we geconfronteerd met een nieuwe werkwijze, van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA). Namelijk de Gedifferentieerde Aanpak Ongevalsonderzoek (GAO).

Vanaf 1 januari 2023 werkt de NLA  met deze aanpak en mogen bedrijven in bepaalde gevallen zelf een ongevalsonderzoek doen na een bedrijfsongeval. Een bedrijf moet dan een ongevalsrapportage en een verbeterplan opstellen. De Nederlandse Arbeidsinspectie zal deze beoordelen. Wordt dit door de NLA goedgekeurd, dan zal er geen handhaving volgen. Lees ook: ‘dan worden er geen boetes opgelegd’.

Is e.e.a. in de ogen van de NLA onvoldoende, dan zullen ze zelf alsnog onderzoek doen. Ook wanneer het een ongeval met dodelijke afloop betreft, of bij uitzonderlijk blijvend letsel, als er sprake is van een slachtoffer jonger dan 18 jaar en als het slachtoffer familie is van de werkgever. Natuurlijk zullen bedrijven die in het verleden meerdere malen in de fout zijn gegaan hier geen gebruik van mogen maken.

De bedoeling van deze aanpak is het bewerkstelligen van een actievere rol van de werkgever en een leereffect voor het bedrijf. Bijkomend voordeel is dat men het geld kan gebruiken voor de verbetering van de veiligheid. In plaats van voor boetes. Op zich geen rare gedachte. Dit spreekt mij wel aan. Voor wat hoort wat.

Toon

De aanleiding van deze nieuwe aanpak van ongevallenonderzoek vindt zijn oorsprong bij het dodelijke bedrijfsongeval van Toon van der Loo. Zijn vrouw en zwager hebben toen een boek geschreven ‘Toon – De impact van een dodelijk arbeidsongeval’. Zij hebben tijdens de rechtszaak gepleit voor het opleggen van een verbetertraject voor het bedrijf. Eigenlijk kunnen we stellen dat zij dit zelfs als een missie op zich hebben genomen.

Hierover zijn zij toen ook in gesprek gegaan met de Nederlandse Arbeidsinspectie. De overheid heeft dit ook opgepakt. Een voorstel van het CDA kreeg steun van de meerderheid van de Tweede Kamer. De politiek wil nu dat ieder bedrijf na een ongeluk een verplicht verbeterplan invoert. “Een verplicht verbeterprogramma kan meer doen om de veiligheid te vergroten dan alleen een boete”, zei CDA-kamerlid Pieter Heerma. “Want ook al kan de boete tienduizenden euro’s bedragen, op grote bedrijven heeft dat weinig impact.”

Verdronken kalf

Op zich juich ik deze aanpak toe en wil ik het het voordeel van de twijfel geven. Alleen steekt het mij dat we hier uiteindelijk toch weer te maken hebben met het bekende spreekwoord ‘als het kalf verdronken is, dempt men de put’. Want het opstellen van een verbeterplan ná een bedrijfsongeval, is altijd achteraf en niet preventief. Of we moeten stellen dat het preventief werkt voor de toekomst, om herhaling te voor komen. Het mooiste zou zijn dat we met elkaar steeds nadenken over preventie op het gebied van veiligheid. Onder het motto ‘voorkomen is beter dan genezen’.

Maar ik kan mij niet voorstellen dat deze nieuwe Gedifferentieerde Aanpak Ongevalsonderzoek een stimulans zal geven aan de naleving van het opstellen van een RI&E en een Plan van Aanpak. Natuurlijk zal het effect hebben bij het bedrijf waar het bedrijfsongeval is gebeurd. Dat is dan de grote plus. Maar feit blijft nog steeds dat we in Nederland veel bedrijven hebben die niet serieus met het onderwerp veiligheid aan de slag zijn. Want laten we eerlijk zijn: 50% van de bedrijven hebben geen RI&E. Dat betreft nog steeds een groot deel van de werknemers die misschien wel grote risico’s lopen.

Conclusie

Ik sluit mij daarom volledig aan bij de mening die mr. Pieter van Vollenhoven altijd verkondigd heeft. Namelijk dat hij van mening was dat de overheid te veel werkte aan zelfregulering en te veel uit handen gaf. In mijn optiek geldt voor die 50% die geen RI&E en een PvA hebben maar één mogelijkheid tot verbetering. Namelijk: meer controle door de NLA. Met daarbij dan direct de verplichting om deze documenten binnen een bepaalde termijn op te stellen. Hier dan ook een systeem van een jaarlijkse periodieke boete aan te koppelen. Die pas stopt als men wel aan de verplichtingen heeft voldaan. Dit dan onder het motto: die niet horen wil moet maar voelen. Maar dan ook goed voelen.

Ik ben daarom voorstander om gebruik te maken van het motto dat Stalin had. ‘Vertrouwen is goed, maar controle is beter’. Als onze overheid zou kiezen voor meer controle naast het GAO, zou ik er weer meer vertrouwen in hebben. Dan nemen ze de veiligheid in de bedrijven weer serieus. En komen de verbeteringen niet pas als het een mensenleven heeft moeten kosten.


[1] In de volksmond noemen we de deskundige medewerker over het algemeen een preventiemedewerker. Dit hoeft afhankelijk van de bedrijfsomvang geen fulltime job te zijn. Bij grotere bedrijven zien we een HSE medewerker of -afdeling deze rol oppakken.

Ons laatste nieuws

Zoek